Internationale aspecten van Bronbelasting

Zoals het een van oudsher internationaal georiënteerd handelsland betaamt, handelen onze hedendaagse ‘koopmannen’ nog steeds veelvuldig met hun buitenlandse wederpartijen, al dan niet in concernverband. Dit betekent een grote hoeveelheid aan grensoverschrijdende betalingen die, afhankelijk van de fiscale kwalificatie van de betaling, alsmede de positie van de betalende én de ontvangende partij, (buitenlandse) fiscale heffingen teweeg kunnen brengen. Om in deze situaties fiscaal en dus financieel nadeel te voorkomen,
is een stukje (voor)kennis noodzakelijk.

Als een in Nederland gevestigde ondernemer –laten we aannemen dat deze onderneemt middels een B.V.– zijn diensten in het buitenland aanbiedt, zijn goederen aan een buitenlandse afnemer verkoopt of investeert in een buitenlandse partij, dan geniet deze onderneming inkomen uit het buitenland. Dit inkomen is in Nederland als de woonstaat van de B.V. belastbaar voor de vennootschapsbelasting (vpb). Dit inkomen kan ook rechtstreeks in het buitenland belastbaar zijn indien de Neder
landse B.V. een
zogenaamde vaste
inrichting in het
andere land heeft
(in die situatie is het
 buitenland op basis van internationale belastingverdragen ook gerechtigd om te heffen en moet Nederland een voorkoming voor dubbele belastingheffing verlenen). Deze situatie zal in deze bijdrage echter verder onbesproken blijven.

Het buitenland kan echter ook op basis van het geldende belastingverdrag gerechtigd zijn om een heffing op te leggen bij de betaling van het inkomen door de buitenlandse partij: een zogenaamde bronbelasting.

Belastingverdragen

Het heffingsrecht voor bronbelastingen wordt geregeerd door het internationale belastingrecht, in het bijzonder de belastingverdragen die Nederland met andere landen (bilateraal) heeft afgesloten teneinde internationale dubbele belastingheffing te voorkomen. In dergelijke verdragen is tussen Nederland en het betreffende buitenland o.a. afgesproken op welke wijze het heffingsrecht moet worden verdeeld ten aanzien van bepaalde inkomensbronnen, welk tarief mag worden toegepast en op welke wijze dubbele belastingheffing voorkomen dient te worden. Ook al zijn veel verdragen op het eerste oog identiek (aangezien ze zijn gebaseerd op een internationaal modelverdrag), er zijn wel degelijk verschillen in definiëring, verdeling van heffingsrechten en tarieven. Het verdient dus aanbeveling om het geldende belastingverdrag tussen Nederland en een bepaald land erop na te slaan indien inkomen uit dat land wordt genoten.

Heffing van bronbelasting

Bronbelastingen worden doorgaans geheven op dividenden (de vergoeding op aandelen), interest (inkomen uit schuldvorderingen) en royalty’s (betalingen verricht als vergoeding voor het gebruik of het recht op gebruik van immaterieel eigendom.

In beginsel is de woonstaat van de ontvanger gerechtigd om dit inkomen in haar heffing op te nemen. Echter, bij deze bronnen van inkomen mag óók de staat waarin de betalende (of uitkerende) partij is gevestigd, heffen middels een bronheffing tegen een bepaald tarief. Vaak wordt hierbij nog de voorwaarde van uiteindelijke gerechtigdheid opgenomen: de ontvangende partij dient dan ten aanzien van het ontvangen inkomen niet te fungeren als doorgeefluik ten behoeve van een andere partij (die wat betreft verdragstoepassing in een minder gunstige positie verkeert ver- geleken met de Nederlandse partij).

De inhouding van een bronheffing geschiedt zonder dat de Nederlandse ontvanger daar in de bronstaat iets voor hoeft te doen. Denk hierbij aan registratie of het indienen van een aangifte. Het enige effect dat de ontvanger zal bemerken, is dat deze het nettobedrag ontvangt; op de brutobetaling wordt de bronbelasting ingehouden. Dit kan gebeuren door de betalende tegenpartij van de Nederlandse B.V., door een lokale bank of overheidsinstantie.

Let op: binnen de EU is onder bepaalde voorwaarden de betaling van interest en royalty’s in beginsel vrijgesteld van de heffing van bronbelasting op basis van de EU Interest- en Royalty Richtlijn, welke in de wetgeving van de EU-staten is geïmplementeerd.

Voorkomen dubbele belastingheffing


Het is in het voorgaande al aangestipt: ten aanzien van bronheffingen is het vaak zo dat de bronstaat naast de woonstaat heffingsbevoegd is over hetzelfde object. Het gevolg hiervan is juridische dubbele belastingheffing. Het geldende belastingverdrag voorziet tevens in de methode waarop in bilaterale verhoudingen dubbele belastingheffing voorkomen dient 
te worden. Afhankelijk van het type inkomen dient dit te geschieden middels een vrijstellingsmethode dan wel een verrekeningsmethode. In de meeste verdragen wordt wat betreft de methode waarop dubbele belastingheffing voorkomen kan worden, verwezen naar de nationale regeling ter voorkoming van dubbele belastingheffing. Voor Nederland is dat het Besluit ter voorkoming van dubbele belastingheffing 2001. Indien op een bepaald inkomen een buitenlandse bronbelasting is geheven en tussen Nederland en de bronstaat bestaat geen belastingverdrag, dan kan dit besluit eveneens worden toegepast (d.w.z. eenzijdig door de Nederlandse belastingplichtige). In sommige gevallen dient een vrijstelling of restitutie van bronbelasting in het bronland zelf geclaimd te worden.

Casus

Het is te eenvoudig
om te stellen dat
 problemen voorko
men kunnen worden
 door de relevante fi
scale materie en
 geldende lokale procedures te kennen. Recent was ons kantoor voor een cliënt betrokken bij een situatie uit het verleden waar ook wij verbaasd waren geconfronteerd te worden met een lokale heffing. De situatie betrof een Nederlandse B.V. die deel uit- maakte van een internationale groep. De B.V. fungeerde binnen de groep als cost pool vennootschap: groepskosten werden door de Nederlandse B.V. verzameld (‘gepoold’) en intra- groep doorbelast. De corresponderende betaling werd vervolgens door de B.V. weer vergoed aan de betreffende groepsvennootschap.

Gedurende 2011 werden door de B.V. bepaalde IT-kosten doorbelast namens een Deense groepsvennootschap aan een Chinese groepsvennootschap. Bij de betaling door de Chinese entiteit werd door de Chinese overheid gesteld dat de B.V. (die ‘Global Services’ in haar naam had) haar diensten waarvoor de Chinese entiteit betaalde, vanuit China had verricht middels een (fictieve) vaste inrichting van de B.V. in China. Het gevolg: de betaling aan de B.V. werd belast in China, waardoor de B.V. geen 100%, maar slechts 90% van de doorbelaste kosten terugkreeg uit China. Op basis van het verdrag Nederland – China, had China echter helemaal geen heffingsrecht. Gezien de geldende groepsovereenkomst was de B.V. gehouden om de Deense entiteit het volledige bedrag aan kosten te vergoeden, waardoor de B.V. per saldo een verlies realiseerde.

Door de toenmalige adviseur van deze B.V. is in de aangifte vpb voor dat jaar een credit opgenomen voor de Chinese (bron)belasting. De Nederlandse Belastingdienst weigerde deze kosten, stelde dat deze gealloceerd diende te worden aan de Deense vennootschap en belastte het volledige inkomen, d.w.z. zonder rekening te houden met de Chinese he ng. Wij waren het hier uiteraard niet mee eens. Gekeken naar de juridische werkelijkheid (de groepsovereenkomst voor de cost pooling activiteiten van de B.V.) diende het verdrag Nederland – China toegepast te worden. Denemarken was hier geen partij bij. Derhalve zou de Deense scus deze kosten niet in aftrek accepteren.

Onjuiste verdragstoepassing

Aangezien het probleem in casu werd veroorzaakt door een onjuist verdragstoepassing door China in relatie tot Nederland, zou de B.V. allereerst via een zogenaamde onderlinge overlegprocedure tussen Nederland en China haar gelijk dienen te halen. De inschakeling van het Ministerie van Financiën, en haar tegenpartij in China, werd in deze casus als te lang durend beoordeeld. Aangezien dit een fikse hoeveelheid tijd en
geld zou betekenen met bovendien een onzekere uitkomst, is in overleg met de cliënt besloten om dit niet te doen.Ten slotte hebben wij namens cliënt het standpunt ingenomen dat Nederland als betrokken verdragsland voorkoming diende te verlenen, echter op een andere wijze dan in eerste instantie was gedaan in de aangifte vpb van de B.V. De Belastingdienst bleef echter bij haar standpunt. Het uiteindelijke resultaat: dubbele belastingheffing, geheel tegen de afspraken en werkelijkheid in.

Uiteindelijk is de zaak in een compromis met de Belastingdienst opgenomen tezamen met enkele andere punten van dispuut, dus (helaas) zonder concrete oplossing. De moraal van deze gang van zaken blijft echter wel overeind: buitenlandse (bron) belastingen kunnen een bron van ergernis zijn. Zorg tijdig voor de juiste documentatie en ken uw positie. Bij twijfel, schakel tijdig uw fiscaal adviseur in. Bespaar uzelf die bron van belasting en ergernis!

Dit artikel is tevens gepubliceerd in Globe Magazine

LOGO BANNING- Internationaal

Laurence Fastabend

Laurence acts as a tax counsel / senior tax manager within the international tax and transfer pricing group of BANNING. He has worked for approx. 8 years within a Big 4 environment in the international corporate tax practice for clients operating in various types of industries around the world. In his daily work Laurence deals with all sorts of international tax aspects, e.g. relating to corporate reorganizations and restructurings, (re)financing, acquisitions and disposals, rulings and ‘general’ day-to-day tax work. His professional expertise is mainly focussed on corporate income tax, withholding taxes, international and European tax law and real estate related taxes. Laurence graduated in tax law at Tilburg University and is a member of the Dutch Association of Tax Lawyers (Nederlandse Orde van Belastingadviseurs).

Neem contact op
Deel via... ... of praat mee via onze

Leave A Reply