Vanaf 1 januari jl zijn veel gemeenten belastingplichtig geworden voor de vennootschapsbelasting in verband met (in veel gevallen) hun grondbedrijf.

In dit grondbedrijf worden locaties ontwikkeld voor (sociale) woningen, bedrijfsterreinen en (sociale) voorzieningen. Over de winsten behaald met deze activiteit moet dan vennootschapsbelasting worden betaald.

Bij de start van de belastingplicht moeten de gemeenten een fiscale openingsbalans opstellen. De openingsbalans is de fiscale start van de ondernemingsactiviteiten. Alles wat erbij hoort gaat voor de werkelijke waarde de onderneming in. Dat betekent dat winsten die al gecreëerd zijn niet belast worden en verliezen die er al zijn, niet aftrekbaar zijn. Voor gemeentelijke grondposities leidt dit tot een groot belang: Als deze in de toekomst meer opbrengen dan de startwaarde, dan moet daarover vennootschapsbelasting worden betaald. Vallen de opbrengsten tegen, dan leidt de gemeente een verlies.

Tot zover een duidelijk en redelijk verhaal.

Goede tijden, slechte tijden

Wat niet wordt meegenomen in deze benadering, is dat gemeenten vaak in de ‘goede’ tijden gronden hebben verworven tegen hoge prijzen. Veel gemeenten hebben inmiddels verliezen genomen op deze grondposities. Deze verliezen hebben geen invloed meer op de vennootschapsbelasting die de gemeente moet betalen. Het kan dus goed zijn dat een gemeente vennootschapsbelasting moet betalen over de opbrengsten van een grondexploitatie waarop de gemeente over de gehele periode bezien een verlies leidt. Zeker gezien het waardeverloop van de gronden, de bezuinigingen van de afgelopen jaren en de timing van de invoering van de belastingplicht een zure appel. Wij roepen de Staatssecretaris van Financiën dan ook op om overgangsrecht in te voeren die deze gevolgen verzacht.

Om de praktische gevolgen van het wetsvoorstel duidelijk te krijgen wordt er overleg gevoerd tussen de VNG, IPO, UWV, de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën. Uit dit overleg komen van tijd tot tijd handreikingen op grond waarvan de gemeenten en andere lokale overheden kunnen proberen de gevolgen van de belastingplicht in kaart te brengen. Een mooi voorbeeld van de beroemde Nederlandse polder. Mooier nog is dat de uitkomsten lijken te zijn hoe ze moeten zijn, gegeven de fiscale wetgeving en daarin heersende mores.

Hieraan is kort geleden een einde gekomen.

Handreiking

Begin november 2015 werd er een handreiking gepubliceerd over de openingsbalans voor gemeentelijke grondbedrijven. Deze handreiking is op zichzelf zeer welkom. Bij de invoering van de belastingplicht voor woningcorporaties enige jaren geleden heeft een praktische handreiking namelijk ook veel discussies met de belastingdienst voorkomen. Het bepalen van de werkelijke waarde is namelijk complex en omgeven met veel onzekerheid.
De in de handreiking voorgeschreven methode lijkt ook nog aan te sluiten bij de praktijk van de gemeenten. De kleine lettertjes leveren echter een grote verrassing op die nadelig en onredelijk uitwerkt. In de handreiking is namelijk aangegeven dat in de toekomst te betalen vennootschapsbelasting als waardedrukkende factor moet worden meegenomen. Dit heeft tot gevolg dat de gemeenten uiteindelijk belasting moeten betalen, omdat de belasting een waardedrukkende factor is.

Voorbeeld

Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel een stuk grond kan worden verkocht aan een particulier voor € 200.000. Stel de gemeente moet nog € 40.000 kosten maken. Iedereen verwacht dat de startwaarde van het stuk grond (afgezien van rente effecten) € 160.000 is.
Volgens de handreiking moet de verschuldigde vennootschapsbelasting ook tot de uitgaven worden gerekend, oftewel 25% van € 160.000 = 40.000. De startwaarde is dan € 200.000 – € 40.000 kosten – € 40.000 vennootschapsbelasting = € 120.000.

Het verschil tussen beide waarderingen is de vennootschapsbelasting. Als de grond dan daadwerkelijk verkocht wordt, blijkt dat er een verschil in de winst zit die belast is met vennootschapsbelasting!. Dus: gemeenten worden dubbel belast!
De Belastingdienst heeft dit inmiddels ook al gezien en in een tweede publicatie “verduidelijking” aangebracht. Het komt er op neer dat een behoorlijk deel van het nadeel wordt teruggenomen. Gemeenten worden daarnaast in staat gesteld om te reageren als dit tot een onredelijke uitkomst leidt.

Dubbel belast

Uit het voorbeeld blijkt al dat de gehanteerde methodiek zeer onredelijk is. Bovendien is de toepassing van deze waardedrukkende factor ook theoretisch onjuist. De verplichting belasting te betalen is namelijk een verplichting van de gemeente en niet van de grond die wordt gewaardeerd. Op deze manier betaalt een gemeentelijk grondbedrijf in de toekomst dus zeer waarschijnlijk vennootschapsbelasting over de vennootschapsbelasting: dubbel belast dus. Los van dat dit theoretisch gewoonweg onjuist is, kan het ook simpelweg de bedoeling niet zijn.

Het is van belang dat de dubbele heffing nu nog gecorrigeerd wordt. Indien de handreiking op dit punt namelijk niet aangepast wordt, zal de Belastingdienst het tot uitgangspunt nemen en de gemeenten daarmee confronteren. Zie het dan nog maar eens van tafel te krijgen.

Erwin Snoeken

Als belastingadviseur bij Meeuwsen Ten Hoopen in Amersfoort richt ik me op de volgende gebieden:
– belastingheffing van de dga / MKB. .
– vennootschapsbelastingplicht van instellingen in de zorg
– vennootschapsbelasting ivm grondexploitaties van lagere overheden

Neem contact op
Deel via... ... of praat mee via onze

Leave A Reply